Gelukkig bleek Vinnie Philips een laatbloeier. Vroegbloeiers zijn snel dor, maar bij Vinnie liep dat met zekerheid anders. Hij vond zijn ritme later in het leven. En goed ook. Al ging daar heel wat aan vooraf.
Vinnie werd op de warme namiddag van donderdag 22 augustus 1975 geboren als Vinnie (Marcelo) Philips. Het mocht dan een bewolkte, drukkende dag zijn in het Gelderse Druten, in huize Philips scheen met zijn geboorte volop de zon.
Vader en moeder Philips hadden twee maanden eerder hun intrek genomen in Huize Boldershof. Daar hadden ze bijzonder veel geluk mee, gezien Boldershof eigenlijk uitsluitend bedoeld was voor meervoudig beperkte bewoners. Het gezin Philips behoorde hier overduidelijk niet toe. Maar toeval en een goed gesprek met de vriendelijke zusters leverden hun het bescheiden maar gezellige onderkomen op, precies onder de uiterst rechter dakkapel van het linker hoofdgebouw. Met fraai uitzicht op het groene gazon en de oprijlaan.
Vanuit Noord-Holland waren ze bewust naar deze uiterste uithoek van het land getrokken. Hier zou immers niemand weten dat moeder Philips al zwanger was voordat zij vader Philips had leren kennen. In die tijd gold dat nog als een schande voor een ongetrouwde vrouw. Door een losbandig leven rond De Nieuwe Haven, de thuishaven van de Nederlandse marine, leek elke poging om de biologische vader te achterhalen bij voorbaat een kansloze exercitie. Bovendien maalde vader Philips daar niet om. Sinds hun ontmoeting in Bar Charmaine aan de Koningstraat 15-17 in Den Helder was hun liefde voor elkaar veel te groot geworden. Vader Philips speelde er als drummer in enkele van de bekendere Nieuwedieper bluesbands. Misschien dat juist daar, ergens tussen de shuffle, de backbeat en de laatste ronde, onbewust de eerste maat voor Vinnies toekomst werd geslagen. Hij zou Vinnie dan ook, zonder enige twijfel en met dezelfde liefde, als zijn eigen zoon grootbrengen.
De eerste zestien jaar van Vinnies leven verliepen dan ook bijzonder vredig. Omringd door de bejaarde zusters van die op de Boldershof woonden en werkten, leek iedere vorm van excess bij voorbaat uitgesloten. Zijn moeder werd opzichter van de inpandige wasserij, waardoor Vinnie er op iedere klassenfoto spik en span uitzag. Vader Philips assisteerde waar hij kon en reed bestellingen van buiten Huize Boldershof rond met zijn bestelbus. Verder geen uitbundigheid, behalve tijdens de christelijke feestdagen. De kost moest verdiend worden. Bovendien kon de instelling niet zonder schone was. Geen vakanties. Geen keuze voor het ruime sop, behalve dat van de was.
Zelf zegt Vinnie over deze tijd:
“Gelukzaligheid is de slechtste voedingsbodem voor rock-’n-roll. Maar het ritmische, pompende geluid van de wasmachines moet toch de basis hebben gelegd voor mijn latere, virtuoze drumgeluid en stampende ritmes.”
Alles veranderde toen Vinnie, turend vanuit de dakkapel, Debora het terrein van Boldershof zag oplopen. Het was de zomer van 1991. Haar stage en Vinnies stijgende hormoonspiegel zouden die zomer tot de heetste van het millennium maken.
En dat Boldershof een eiland vol bejaarde, slechtzienende en slechthorende zusters was, bood niet alleen alle gelegenheid om in iedere uithoek van het complex met elkaar te rotzooiën, het wakkerde ook het verlangen aan naar een wereld die zich ver buiten deze oase bevond.
Niet lang na deze onbetwist plakkerige zomer togen Debora en Vinnie dan ook naar het lonkende Amsterdam. Voorgenomen studies, samenwonen en een “nette baan zoals iedereen”. Met de verleiding van Club IT, de Escape en de Mazzo werd het allemaal niets. En de RoXY bleek bovendien uit haar voegen te barsten van de rondborstige Debora’s, die met elke “beat of the drum” tot hogere extase werden gedreven. Zingend, dansend. Het ging er zelfs zó heet aan toe dat de club in 1999 helemaal afbrandde om nooit meer uit haar as te verrijzen. Thuis bij Debora voelde het daarbij plots als een gevangenis, alsof je in beperking werd gesteld.
Maar voor Vinnie was dit slechts de opmaat naar meer. Naar iets groters. Debora verdween. Andere Debora’s kwamen. Ze heetten Suzanne, Wendy of Veerle. Ze waren welgeschapen of minder goed bedeeld. Vinnies liefdes bloeiden op, maar verwelkten vaak even snel. De aangewakkerde passie voor strakke beats bleef hetzelfde. Kwam dit van de Amsterdamse clubs, het ritmische klotsen van de draaiende was of simpelweg van zijn stiefvader, die heimelijk een drumcarrière had gewenst in plaats van een vrachtwagen vol schone was? Drummen ontwikkelde zich hoe dan ook tot het obsessieve middelpunt van zijn leven. Zelf zegt hij daarover:
“Mijn Amsterdamse onderkomen op de kop van de Zeedijk was zo miserabel dat ik ’s ochtends altijd wakker werd in de schaduw van mijn ridebekken. Daar dreef ik mijn buurvrouw tot wanhoop door overdag mijn drumsolo’s te oefenen, terwijl zij altijd nachtdienst had. Maar ’s avonds moest ik dan ook vlammen tijdens elk optreden.”
Met de buurvrouw liep het minder goed af. Op een zwoele hemelvaartsvond werd haar ontzielde lichaam aangetroffen op de stoep onder haar raam. Of zij was gevallen, gesprongen of geduwd, is nooit duidelijk geworden.
Ook bands formeerden zich en vielen weer uiteen. Telkens bijna beroemd, maar nét niet helemaal. Zangers beschonken zich, gitaristen werden megalomaan, producers bleken ratjes. En ook niet alle achtergrondzangeressen wist hij in toom te houden met zijn pulserende, strakke fill.
Over dat laatste zegt Vinnie:
“Ja, zangeressen… daar hield ik wel van. Niet alleen op het podium, zeg maar…”
Vanachter zijn drumkit, die als een uitkijktoren boven de rest uittorent, ziet hij het telkens allemaal gebeuren. Vinnies lijfspreuk is dan ook: “Vooruitzien is regeren.”
Maar geeft dat ook controle over wat er in het leven gebeurt? Misschien is controle niets meer dan de illusie waarmee Vinnie steeds opnieuw precies die groove vindt die de meute opzweept. Misschien schuilt er in dat instinct toch iets van zijn biologische vader. Weerklinken daarin ergens de discipline en de militaire kapelmuziek van De Nieuwe Haven? Diep verborgen in de krochten van zijn rockbestaan.