De tijd heeft wie wacht nooit iets gebracht. Het juiste moment is altijd nu. Dat moet Dusty ook al gedacht hebben vlak voor zijn entree in deze wereld. Zijn moeder en de rest van de mensheid waren nog niet zover. Maar Dusty wel. Het bleek een voorbode van een leven lang vóór de muziek uitlopen.

Dusty Cullinan werd op zaterdag 5 augustus 1973, als derde zoon van Henriëtte en Adrianus Cullinan, geboren in de chique Bredase wijk Zandberg. Hoe mensen geboren worden, schijnt van grote invloed te zijn op hoe ze later in het leven staan. Zijn vroege verschijning gaf in dat licht blijk van een enorme “lust for life”. De vacuümpomp, die er in het slotakkoord aan te pas moest komen, maakte er echter alsnog een worsteling van. Toen Dusty er eenmaal uit was, zag hij er dan ook uit als Mick Jagger in Madurodam-formaat. Dat is later bijgetrokken. Het worstelen bleef.

Wat ook bleef, voor zolang het nog duurde, was het statige herenhuis aan de Baronielaan 22 waarin de familie woonde. De familie Cullinan kwam uit een goed geslacht. Tenminste van moederszijde. Het was niet alleen een goed geslacht omdat ze aan het begin van de twintigste eeuw groot fortuin hadden gemaakt met de aanleg van de laan waaraan ze later zelf woonden, maar ook omdat ze dat vermogen, tijdens de oorlogsjaren, weer grotendeels verloren door te weigeren voor de bezetter te bouwen. Een duur, maar nobel verzet.

De deftige woning waar Dusty werd geboren, was gebouwd als proeve van bekwaamheid. Betovergrootvader liet elk van zijn zonen, waaronder opa Andreas Cornelis, een eigen huis bouwen waarmee zij moesten aantonen het vak van bouwen te verstaan. Zonder huis géén aandeel in het familiebedrijf. Met als gevolg dat de brede boulevard, die liep van het Wilhelminapark tot aan het Ginneken, vol stond met residenties van familieleden. Zoals die protserige villa met dikke donkere zuilen van oom Toon, een eind verderop. Het statige huis waar Dusty ter wereld kwam, beschikte over een eigen oprijlaan en koetshuis voor een rijtuig. Boven de poort staat nog steeds, in statige letters: “Stalhouderij”. Rijtuig werd een DAF.

Dusty over zijn comfortabele jeugd:

“Gelukzaligheid is de slechtste voedingsbodem voor Rock and Roll. Uit luxe komt helemaal niets.”

Zijn ouders waren vreemde eenden in de bijt. Binnen de familie deden ze het “anders”. Of zoals iedereen het keurig verwoordde: “ze waren kleurrijk”. Toch viel die appel vrij dicht bij de boom. Al generaties lang. Zonder dat iemand het ooit als extravagant, uitbundig of theatraal aanmerkte. Grootvader liet immers heel flamboyant een kerk bouwen aan de overzijde van de straat. Niet alleen als entree-ticket voor de Hemel, maar ook omdat hij het simpelweg als onzinnig ervoer om verder te lopen voor een hostie. De kerk kreeg de naam Heilig Hart Kerk. Het bouwen van een eigen kerk met een dergelijke naam is toch als vrij decadent en rock-’n-roll te bestempelen.

Ook oom Toon van verderop bleek er een afwijkende smaak op na te houden, zeker gezien zijn hoge leeftijd. Hij leek op zeventigjarige leeftijd, beïnvloed door nichtje Henriëtte, helemaal gegrepen te zijn door de sound van de nieuwe tijd. Heimelijk had hij een enorme platencollectie opgebouwd. Iron Butterfly, Blondie, AC/DC. Het ging allemaal door elkaar. Zijn platenkast stond er vol mee. Naast Chopin en Dora Pejačević plotseling The Cream en Brainbox. De jonge Joseph had daar wel oren naar. Bovendien stond Toon, met een whisky op, koddig voor te doen hoe erop gedanst moest worden. Het cavaleriesabel van zijn vader zwiepend boven zijn hoofd.

Klassenfoto groep 6, 1983, met Dusty Cullinan in worstelmasker
Dusty Cullinan springt in wrestling-outfit in een opblaaszwembad

Dusty daarover:

“Nummers als Flick of the Switch en Whole Lotta Rosie van AC/DC kregen hierdoor onbedoeld een heel andere, meer dreigende, lading. De werkelijke betekenis kwam pas aan het licht toen ik de teksten ontrafelde en bij een van de hun optredens de metershoge Rosie-opblaaspop op een stoomtrein zag rijden. Die gigantische wiebelende vleestaart kon toch onmogelijk iets met de ellende in de wereld te maken hebben, zoals zoveel songs uit die tijd.”

Platen mochten zo nu en dan mee naar huis en werden overgezet op cassettebandjes, het nieuwste neusje van de zalm in die tijd. Het haar groeide. Een eerste elektrische gitaar volgde: een VEGA Superstrat. Goedkope Aziatische import, met een tremolo die de hoek om kon buigen. Oom Toon had zijn moeder ervan overtuigd dat dit een logische stap was in het muziekonderwijs. Mötley Crüe’s “Looks That Kill” was in no time onder de knie. Simpele akkoorden. Stoere riff, falsetstem. De hele dag door. Familie Cullinan was er dolblij mee.

Ook zijn voorkeur voor meer bombastische, androgyne muziekpersona’s moet in die tijd zijn ontstaan. Gene Simmons, Freddie Mercury, Alice Cooper en, jaren later, Till Lindemann. Pompeuze rockego’s die van ieder optreden een weergaloos Gesamtkunstwerk wisten te maken.

Toen een tienjarige Dusty, op een onbewaakt ogenblik, dan ook Hulk Hogan door de lucht zag vliegen, dacht hij even dat er een nieuw rockicoon naar zijn smaak was opgestaan. Hetzelfde soort pathos. Vergelijkbaar theater. Uitgesproken kostuums. Het bleek alleen Hogan’s langverwachte terugkeer naar de World Wrestling Federation te zijn, tijdens een show in St. Louis, Missouri. Hij won daar zijn eerste wedstrijd na zijn rentree tegen Bill Dixon.

Dusty:

“Sommigen zeggen dat het eenvoudig vermaak is. Daar spuug ik op. Show is nooit simpel. Show draait niet om het leven zelf, maar om het beeld van wat ons leven had kunnen zijn. Een goede show verbindt mensen. Niet met feiten, maar met verbeelding.”

Vanaf dat moment was de geest volledig uit de fles. Dusty wist dat kleding, naast muziek, een belangrijk onderdeel van zijn persona zou gaan worden. De grenzen tussen bewonderaar en artiest begonnen langzaam te vervagen. Zijn alter ego werd steeds minder een rol en steeds meer zijn werkelijke ik. Op de laatste twee klassenfoto’s van de lagere school staat Dusty dan ook met een worstelmasker. Terwijl klasgenoten netjes lachend in hun beste kloffie naast elkaar stonden, bouwde Dusty aan zijn alter ego.

Bands als Van Halen, Whitesnake, Guns N’ Roses en eigenlijk de hele megalomane rockscene van de late jaren tachtig en vroege jaren negentig lieten zien dat er meer mensen zoals hij waren. Dat hij niet “anders”, “kleurrijk” of “extravagant” was. Eerder was het bewijs dat anderen overdag keurig door het leven gingen om vooral niet op te vallen, maar ’s avonds, in de duisternis van volle concertzalen, veranderden in wie ze eigenlijk altijd al waren.

Dusty daarover:

“Ik kan niet anders dan oprecht zijn. Oprecht zijn is voor mij een soort Tourette. Je kunt er niets aan doen dat het eruit komt. Ik speel dan ook niet zozeer een rol. Ik ben eerder niet zo goed in het verduisteren van wie ik werkelijk ben. Zoals de meesten van ons dat eigenlijk wel het grootste deel van hun tijd doen.”

De bewustwording dat je als showman, als frontman, als zanger de opgekropte energie van een volle zaal kunt grijpen en gebruiken voor iets weergaloos, had grote invloed op Dusty. Dat naar overrijpe perziken geurende, wulpse pantermevrouwen plotseling tegen je aan komen schurken als je Elvis’ Suspicious Minds zingt. Dat een man jou wil zijn omdat je Jump oreert. Dat iedereen naar jouw Paradise City wil, omdat daar het gras groen is en de meisjes mooi zijn… Dat is de kracht van muziek. Van gezang. Van Rock ’n Roll. Van een goede show. The power of love, a force from above.

Zo groeide Dusty uit tot de podiumpersoonlijkheid die we vandaag de dag kennen. De man achter meer artiesten dan je misschien zou vermoeden. De kracht achter talloze bekende en minder bekende acts. De energie die we allemaal herkennen zodra de lichten doven. De belichaming van verbeelding. Of misschien eerder: het instrument waarmee ieder van ons zijn leven heel even in balans houdt.

Of zoals Dusty het zelf ooit bezong:

“I am a concept by which we measure our joy and pain.”

← Our Rockstars